Klik op kaart voor vergroting
Het ontstaan van het landschap Volgens een hele oude mythe is Gaasterland op de volgende manier ontstaan. In het jaar vier van onze jaartelling was Azinga Ascon de vierde bestuurder van Friesland. In dit jaar beefde de grond en brak het aardoppervlak open. Een sissend vuur spoot uit de trillende bodem omhoog. Drie dagen lang hield de vlam aan. Op de vierde dag kwam uit het vuur een verschrikkelijke draak omhoog. Hooguit een half uur kon de onthutste bevolking hem zien. Daarna verdween hij, even snel en geheimzinnig als hij was gekomen, waarna ook de vlammen doofden. Hierna zou het monster nog twee keer de bevolking de stuipen op het lijf hebben gejaagd. De laatste keer was in het jaar 230. Die keer duurde het 12 dagen voor de draak verdween. Sindsdien ligt de zuidwesthoek van Friesland opengereten. Gaasterland werd het omgewoelde land genoemd. Het enige wat er nu nog aan herinnerd is de rode kleur van de grond bij het Rode klif. Hieraan kan men zien hoe hevig het er destijds aan toe is gegaan. IJstijd Het werkelijke ontstaan van Gaasterland ligt echter veel eerder in de jaartelling. Het was in de ijstijd dat grote ijsmassa's uit Noord-Europa in zuidelijke richting schoven. Grote en kleine stenen werden meegevoerd. Sommigen werden tijdens de reis geheel of gedeeltelijk vermalen tot leem. Deze massa stapelde zich op in het zuiden van Friesland. Na de ijstijd brak de zon door. Hier door veranderde het ijs in smeltwater. Dit water schuurde de stenen glad en bedekte het glooiende landschap met aangevoerd zand. Later ontstond in de lage gedeelten veen. Hierover heen kwam een laagje klei dat uit de Zuiderzee afkomstig was. Veel later kwamen de eerste mensen er wonen. Zij noemden deze streek 'gaasten'. Omdat de hoog gelegen streek hen deed denken aan andere zandruggen die 'geesten' of 'geestgronden' werden genoemd. Zo is de naam Gaasterland ontstaan. Talrijke vondsten van stenen werktuigen verduidelijken dat er al heel vroeg mensen in Gaasterland hebben gewoond. De werktuigen zijn afkomstig van de zogenaamde Neanderthalers en meer dan 100.000 jaar oud. Verder zijn er materialen gevonden uit de laatste ijstijd, 12.000 jaar geleden. Ook uit de jonge steentijd (ca. 2400 v.C.) zijn in Gaasterland veel vondsten gedaan. Die maken duidelijk dat er toen althans veel intensieve bewoning is geweest. Uit die tijd dateren vermoedelijk ook de restanten van het hunebed in het Rijsterbos. Het ontstaan van het Rijsterbos Galama In de historie wordt er voor het eerst over aanleg van bos verteld in het midden van de 9e eeuw (845). Verder bestond Gaasterland uit uitgestrekte heidevelden. Hierdoor kwamen veel zandverstuivingen voor als gevolg van ondermeer overbegrazing. De eerste eigenaar van Rijs was de familie Galama (een edel geslacht uit Koudum) die hun stins aan wat nu heet de Smitsleane bij Rijs hadden staan. De Galama's lieten van de vaak dorre heide vruchtbare grond maken. Schwartzenberg Later kwam Rijs met de omliggende aan gelegde beplanting in handen van de familie Schwartzenberg. Deze liet een vaart van Rijs naar Kolderwolde graven en noemde het de Schwartzenbergsloot. De Schwartzenbergsloot die tegenwoordig gewoon de Rijstervaart heet, heeft verschillende zijtakken die doodlopen in Rijs. Een grote zijtak was de Merdersloot die via de meertjes Rijsterpoel, 't Witwater, de Merderpoel en de Kolk uitkwam bij de Zuiderzee. Intussen zijn de meertjes ingepolderd en de Merdersloot heeft nu 3 verschillende namen, namelijk de Spookhoekstervaart, Witakkersvaart en gedeelte heet de Sefonstervaart. De Ruyter de Wildt Aan het eind van de 17e eeuw kwam Rijs in handen van de Heer De Ruyter de Wildt. Hij was Secretaris ter Admiraliteit van Amsterdam geweest, Intendant van de Zeemacht van de staat en Geheime Raad van de Stadhouder-Koning Willem III. Hij was nog maar net op het nieuw opgetrokken 'Slot Rijs' gaan wonen, of hij gaf het bevel aan zijn werklui om de heuvelachtige en dorre heidevelden egaal te maken. Van eén deel moesten ze korenvelden maken en het andere deel moest worden beplant met tabak. Hiervoor moesten ook koren- en tabaksschuren gebouwd worden. Gelijktijdig werd ook begonnen met het bebossen van Gaasterland. Terwijl het zo goed ging met het koren en het bebossen, wilde het met de tabak niet zo goed vlotten. In Mirns was al een tabaksschuur gebouwd om de wind door de opgestoken bladeren te laten spelen tot ze droog waren. Helaas, de tabaksbouw bleef niet meer dan een experiment. Foeke Sjoerds (schoolmeester/historicus 1713-1770) heeft deze fiasco voor het nageslacht vastgelegd. De cultuur van het edele kruid, zei hij, 'vond weinig voortgang, alzo de tabak zeer onsmakelijk, bitter, stinkende, en van eene onaangenaame reuk en geur zijnde, gene liefhebbers vond, en overzulks de kool het vet niet waerdig was'. Rengers De ontginning van Gaasterland zette zich in de 17e en 18e eeuw gestaag voort. Na De Wildt kwamen, zo rond 1756, de Grietmannen van Harichsteradeel op 'Slot Rijs' wonen. Jonkheer Ulbo Aylva Rengers en ook zijn zoon Lamoraal Albert Aemelius Rengers, die zijn vader als grietman opvolgde, hadden een belangrijke inbreng in de voortgang van de ontginning. Van Swinderen In 1825 nam de Groningse welgestelde familie Van Swinderen haar intrek in het grote huis. Het was vooral deze familie die wegen ging aanleggen en de bodem verbeterde. Via speciaal aangelegde vaarten werd van elders uit Friesland vruchtbare terpaarde aangevoerd. Van deze vooruitstrevende familie komt aan Jonkheer Meester J.H.F.K. van Swinderen de eer toe het goede evenwicht te hebben gezocht tussen ontginning en bebossing, waardoor Gaasterland de uitgebreidste en vermakelijkste lustplaats van Friesland werd genoemd. In het laatst van de eeuw moest de familie van Swinderen door geldgebrek ( waarschijnlijk door het kelderen van de aandelen in het Suezkanaalproject ) vele stukken bos verkopen. Een gretige koper was de N.V. Stichting Exploitatie Maatschappij Gaasterland, die de aangekochte percelen bos op radicale wijze produktief maakte of die bij stukken en beetjes doorverkocht aan boeren, die er prompt de ploeg door heen trokken. Vele bomen werden gekapt en verkocht in Duitsland. Dit leverde een niet te versmaden extra centje voor de arme Gaasterlandse landarbeider op. Want wat de hereboer hem vaak op het erf en de akker onthield, maak te het bos weer goed. Wie aan de rand van de honger leeft, eet zonder wroeging de schoonheid op. Gaaikema Het was de toenmalige burgemeester van Gaasterland, die zich inzette tegen het onoordeelkundige gebruik van de bossen in zijn gemeente. Verontrustend door het toenemende boomverlies wees hij zijn gemeenteraadsleden op de schade en op het belang dat de gemeente bij het voortbestaan van de bossen in Gaasterland had. Er moet nog gered worden wat er te redden valt, meende burgemeester Gaaikema: de bossen die er nog zijn moeten we behouden en beschermen. In 1926 besloot het gemeentebestuur unaniem het advies in daad om te zetten en deed daarmee één van de voor de gemeente Gaasterland historisch belangrijkste besluiten. Het grootste doel van deze aankoop van de gemeente was om de bossen voor onder meer het toerisme veilig te stellen. Jacob Hepkema beschreef in het begin van deze eeuw zijn wandeling door het Rijsterbos. Hij liep van zijn logement ('recht dorpelijk volgens Hepkema') dwars door het bos naar de toen nog Zuiderzee-oever. Via de statige Mirnserlaan kwam hij bij het zeelaantje. Hier volgt zijn relaas: "Gelijk de bezoeker van de donkere grot van Han (België) als hij aan het eind gekomen plotseling verrast wordt door het heldere... zonnelicht, zoo wordt de wandelaar hier aan 't einde der bosschen verrast door de.... zee. De overgang van donker en licht, van bosch en water, geschiedt als bij toverslag; zóó waant men zich nog in een uitgestrekt woud en zoo ziet men den waterspiegel der zee, zóó waren het nog de zangers in de twijgen, die't oor bekoorden en zoo verschijnen de stormvogels en bergeenden voor ons oog, met visschers pinken op de kust en rookende stoombooten in 't verschiet. Intusschen ontwaart men dicht bij het Zeelaantje ééne opene plek in de beschoeiing, waar de golven vrij mogen binnentreden. Niet zelden wordt hier gebaad en wie voor herstel en niet om vertoon de zee zoekt, vindt er zee- en boschlucht tegelijk, te midden van natuurschoon en heerlijke landouwen. Als dus de badplaats Schiermonnikoog eens overbevolkt mocht worden en de aandeelhouders naar een nieuwe gelegenheid zoeken, dan is deze kust en dit oord zeker aan te bevelen." Spookverhalen Over het Rijsterbos zijn ook spookverhalen bekend. Hier volgt zo'n verhaal: Er was eens een vrijer die om middernacht van zijn meisje huiswaarts keerde. Hoewel het natuurlijk donker was, nam hij om tijd te winnen toch de weg door het Rijsterbos, want die weg was de kortste. Op de Spokersberg gekomen zag hij het: een gedaante die op een kalf leek. Ze was grauw van kleur en snelde op enkele meters afstand dwars voor hem over de weg. Nu kunt u zeggen dat de vrijer bij 't meisje een glaasje teveel had gehad, maar er zijn andere Gaasterlanders geweest die het spookkalf ook hebben gezien. De Wildtskuorre van It Fryske Gea Nu is het Rijsterbos sinds 1941 in het bezit van de Friese Vereniging "It Fryske Gea". Deze streeft ernaar het bos, dat in 1941 grotendeels uit hakhout bestond, te hervormen in gemengd opgaand bos. Eik en berk nemen er een grote plaats in naast de Japanse lariks, douglasspar, zilverspar en fijn spar. De zeer afwisselende samenstelling geeft het bos een bijzondere bekoring. Het trekt daarom ook jaarlijks tussen de 30.000 en 40.000 bezoekers. Het is ongeveer 170 hectare groot en heeft een stervormig net van lanen. Al lange tijd komt hier de das voor. Er zijn dan ook verschillende dassenburchten te vinden in het Rijsterbos. Dit is een ingewikkeld hol, compleet met gangenstelsel van soms wel tientallen meters en verscheidene ingangen en kamers. Ook de blauwe reiger broed al sinds jaar en dag in een grote kolonie in het Rijsterbos. Eén van de laatste belangrijke gebeurtenis in het Rijsterbos was de vestiging van V 2-startbanen in de 2e wereldoorlog. Deze stonden op de plaats waar nu de "Wildtskuorre" staat, het werkgebouw van It Fryske Gea.
Historie Gaasterland